Grondslagen van het politieke ambt

Auteur van het onderstaande: Mr. Dr. Leo Klinkers
(Klik hier voor de link naar het volledige artikel).

Wat zijn grondslagen van het politieke ambt?
Voor elk beroep geldt dat men behoort te beschikken over relevante bekwaamheid (kennis en ervaring) en geschiktheid (mentaliteit en moraliteit). Deze twee criteria bepalen of men gekwalificeerd is voor het uitoefenen van een bepaald beroep. Dat geldt onverkort voor personen met een politieke functie. 

Inzake bekwaamheid
Voor het bekwaamheidsvereiste inzake de grondslagen van het politieke ambt dient men te beschikken over diepgewortelde kennis als:

Weten hoe het begrip volkssoevereiniteit zich vanaf Aristoteles door alle eeuwen heen heeft ontwikkeld = Volkssoevereiniteit in de zin van ‘Alle soevereiniteit berust bij het volk’.

Weten hoe geschriften van politiek-filosofen – naast vermaarde historische volksopstanden – de basis vormden voor diverse vormen van organiseren van vertegenwoordiging van het volk onder waarborging van de soevereiniteit van het volk.

Weten dat de bescherming van de soevereiniteit van het volk moet worden verzekerd door het volgen van onuitwisbare principes als:

o Ex factis ius oritor: het zijn feiten die tot recht moeten leiden; 
o Ex iniuria ius non oritor: uit onrecht ontstaat geen recht;.
o Pacta servanda sunt: verdragen moeten worden nageleefd;
o The rule of law (rechtsstaat): niemand staat boven de wet;
o Trias politica: de scheiding van de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende macht;
o Checks and balances: de constitutionele instrumenten om de scheiding der machten te garanderen; 
o Actus contrarius principe: de procedure om recht te zetten wat in het verleden fout ging. 
o Habeas corpus: het verbod op illegale opsluiting en het recht op een eerlijk proces;
o Ius cogens: verplichtende wetgeving;
o Ius post bellum: recht na een oorlog;
o Het recht op zelfbeschikking is een onvervreemdbaar recht.

Weten wat de herkomst en betekenis is van mensenrechtenverdragen en onvermoeibaar strijden voor hun toepassing.

Weten hoe politieke partijen op religieuze grondslag kunnen functioneren binnen het principe van scheiding van kerk en staat.

Weten waar recht als instrument voor het bereiken van politieke doelen (de zogeheten instrumentele visie op het recht, aangejaagd door de waan van de dag) plaats moet maken voor de zelfstandige waarde van geschreven recht.

Weten wat het fundamentele verschil is tussen een gecentraliseerde en een gedecentraliseerde eenheidsstaat.

Weten wat het fundamentele verschil is tussen federale staatsvorming en intergouvernementele bestuurlijke samenwerking. 

Weten wat het fundamentele verschil is tussen een parlementair en een presidentieel stelsel. 

Weten wat het fundamentele verschil is tussen een benoemde en een gekozen Minister-President, hetzij uit en door het Parlement, hetzij uit en door het volk.

Weten wat het fundamentele verschil is tussen monisme en dualisme en dat werken met een Regeerakkoord als aanjager van monisme het vereiste dualisme tussen parlement en regering vernietigt.  

Weten dat voor landen die met elkaar moeten samenwerken en samenleven alleen een federale staat de geschikte organisatorische vorm is, met consequenties voor het correct toepassen van de constitutionele en institutionele standaarden, met het doel om belangen die individuele staten niet zelfstandig kunnen behartigen toe te vertrouwen aan een federaal orgaan onder behoud van de soevereiniteit van de lidstaten en hun burgers. 

Weten waarom intergouvernementele bestuursvormen zoals de Verenigde Naties en de Europese Unie met hun beperkte politieke levenscyclus en fundamentele systeemfouten niet-repareerbare schade veroorzaken aan principes van soevereiniteit als ze niet tijdig worden vervangen door een federale staatsvorm.

Weten hoe de architectuur van het doorbreken van de status quo, de architectuur van doel stellen, de architectuur van doel bereiken en de samenvattende architectuur van het proces van circulair beleid maken moeten worden toegepast; circulair in de zin van het vermijden van beleidsafval, van het verlies van beleidsenergie en van steeds weer in de valkuil van oplossingendenken stappen.

Weten hoe je handhaafbaar recht moet ontwerpen zonder de pathologische bijwerking van juridificering en bureaucratisering van het bestuur.

Weten welke elementen uit wetenschappen als recht, filosofie, politicologie, sociologie, organisatietheorie, communicatietheorie, cybernetica, systeemtheorie, causaliteitsleer, formele logica, psychoanalyse en sociale psychologie goed bestuur moeten garanderen.

Weten dat individuele personen wel, maar overheidsorganisaties als zodanig geen geweten en geen lerend vermogen hebben en dat daarom het verhogen van de kwaliteit van overheidsorganisaties geleid moet worden langs investeringen in het individuele lerend vermogen en geweten van de politieke en ambtelijke functionarissen. 

Weten dat organen van de overheid die individuele en groepen van burgers in uitzichtloze machteloosheid manoeuvreren een vorm van terreur uitoefenen.

Inzake geschiktheid
Nu de kwestie van geschiktheid. Dat ziet op mentaliteit en moraliteit. De belangrijkste vereisten zijn:

Begrijpen en aanvoelen dat het hebben en uitoefenen van politieke bevoegdheden niet verenigbaar is met het aanvaarden van immuniteit en dubbele mandaten.

Begrijpen en aanvoelen dat het hebben van bevoegdheden jegens de samenleving vereist dat men over de uitoefening daarvan verantwoording aflegt; en dat tot dat doel niet kan worden gewerkt met een verdrag, maar alleen met een constitutie.

Begrijpen en aanvoelen dat het recht om een politieke functie te mogen aanvaarden vereist dat men beschikt over de moed om het dienen van het volk te gebruiken om goed te doen en het kwade te bestrijden. Goed doen in de zin van rusteloze bescherming van onvervreemdbare waarden van menselijkheid. En strijd tegen het altijd sluimerende (pre-)fascisme dat elke samenleving kan bedreigen. 

Begrijpen en aanvoelen dat het (wan)gedrag van politieke ambtsdragers het (wan)gedrag van de samenleving bepaalt.

Begrijpen en aanvoelen dat respectvol handelen, iedereen in zijn waarde laten en op zoek gaan naar gemeenschappelijkheid en verbinding zorgen voor een gevoel van veiligheid en vertrouwen in de overheid.

Begrijpen en aanvoelen dat moreel handelen betekent handelen in het licht van het Categorisch Imperatief van Immanuel Kant.

Begrijpen en aanvoelen dat oprechtheid in uitspraken en waarachtig handelen plaatsvindt in het licht van de Theorie van het Communicatieve handelen van Jürgen Habermas.

Begrijpen en aanvoelen dat rechtvaardig handelen moet geschieden in het licht van
de Theorie van Rechtvaardigheid van John Rawls.

Begrijpen en aanvoelen dat wijs handelen moet beantwoorden aan
de Deugdenethiek van Aristoteles.

Begrijpen en aanvoelen dat moedig handelen – en durven te handelen – geboden is in weerwil van weerstand van destructieve krachten.

Begrijpen en aanvoelen dat praten tegen en over burgers inferieur is vergeleken met communiceren voor en met burgers. 

Begrijpen en aanvoelen dat waar gezag verdwijnt een overheid alleen nog maar macht heeft.

Begrijpen en aanvoelen dat het hebben van de eerdergenoemde kennisvereisten niet onverplichtend is: noblesse oblige. 

Als iemand naast deze bekwaam- en geschiktheid ook nog iets weet van volksgezondheid, defensieaangelegenheden, landbouw, veeteelt en visserij, macro-economie, woningbouw, infrastructuur, klimaatverandering of andere beleidssectoren, dan is dat mooi meegenomen, maar niet noodzakelijk. Soms zelfs hinderlijk, omdat ambtenaren en adviseurs dat beter beheersen dan politici.

Is het dieptepunt bereikt?
Nee, het dieptepunt van wereldwijd verval van de kwaliteit van de beoefening van het politieke ambt is nog niet bereikt. Op steeds meer plekken in de wereld neemt het aan fascisme grenzende populistisch nationalistisme toe. Met een dreigende terugkeer naar de
post-Westfaalse natiestatelijke anarchie. Het bederf daarvan – zich uitend in conflicten en oorlogen met hun diverse vormen van geweld en schending van mensenrechten – blijkt sterker te zijn dan vreedzame demonstraties tegen politieke wangedrag.
Dat proces van sluipend verval lijkt voorlopig niet te stoppen. 

Als we deze ontwikkeling lineair bezien dan is de volgende fase van Helmut Schmidts voorspelling van de toenemende corruptie en fraude de komst van gewelddadige opstanden van volken die geen andere uitweg zien dan kiezen voor varianten van
de Engelse Magna Carta van 1215, het Nederlandse Plackaat van Verlatinghe
van 1581 en de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776. 

In 2023 is het honderd jaar geleden dat Hitler zijn eerste – overigens mislukte -putsch plaatste. Om tien jaar later in 1933 de absolute macht te verwerven. Ik ken geen feit, noch argument, dat sterk genoeg is om te veronderstellen dat dit niet opnieuw kan gebeuren. We kunnen er wel alles aan doen om dit te voorkomen door onder andere het politieke ambt weer de waardigheid en het gezag te geven die het behoort te hebben.

Leo Klinkers

(Klik hier voor de link naar het volledige artikel).